Het Einde Is Nabij
I wrote this for a short story competition which I didn’t win. But I don’t really care, because the organization sent me a hand-written postcard to tell me I didn’t win, and I officially love them for that.
Na drie bollen keek hij me met wijd open ogen aan. Zijn mond valt open, en zijn ogen rollen terug in hun kassen. Ja hoor, daar gaan we weer.
“Het einde is nabij,” gorgelt hij, en zijn hoofd valt op tafel, recht in z’n half opgegeten pizza. Nou, dat had erger gekund. Terwijl ik m’n koffertje inpak begint hij te snurken. Als ik opsta en naar de deur loop hoor ik een gorgelend geluid. Kanker, hij gaat toch niet lopen stikken hier? Ik draai me om en zie net dat er een dikke klodder groen slijm uit z’n mond komt zetten. Nou, prima joh. Ik loop de kamer uit en sla de deur dicht. Fucking junkies.
Ik heb te vaak mensen out zien gaan om er nog iets mee te doen. De eerste keer – shit, hoe lang is dat geleden? Veertien jaar? - werd ik er nog kotsmisselijk van, maar dat wende best snel. Toen heb ik me nog een poosje helemaal de tering gelachen om die junkies die een potje lagen te rotten in hun eigen vuil. Maar tegenwoordig laat het me nogal koud, allemaal. Zij bellen mij op, dus het is niet alsof het mijn verantwoordelijkheid is of zo. Ze zien maar wat ze doen met het spul. De meesten gebruiken het meteen als ze het hebben, recht voor m’n neus. Als ze denken dat ik ze ga babysitten hebben ze het mooi mis. Stelletje achterlijke mongolen.
Ik loop de flat uit, haal m’n sleutels uit m’n zak en wijs ze naar de Lamborghini die voor de deur geparkeerd staat. Met een druk op de knop piepen de deuren open. Met een ander knopje gaat de motor vast draaien. Heerlijk geluid is dat toch. Als ik instap voel ik het strakke leer onder m’n kont al. Man, wat een geile bak is dit toch. Chromen velgen. Stereo met opgevoerde subwoofer. Fucking kontverwarming in de stoelen. Heerlijk. Elke cent waard dit ding. Als ik hiermee door de juiste buurt rij en een lekker muziekje op zet zitten er zo vier sletjes bij me achterin. Als ik m’n best doe, tenminste. En als ik daar nou eens mooi geen zin in heb staan de meest luxe hoeren van de stad voor me in de rij, die allemaal precies weten wat ik lekker vind. Er is zo’n Braziliaanse aan de Bloedstraat die allemaal exotische shit doet. Fucking nice is dat. De laatste keer dat ik daar was moest ik een week boxers dragen.
Ik check m’n smartphone om te zien wat het gaat worden vanavond. Nog één adresje, aan de andere kant van de stad, en het is pas half 12. Nice. Snel afhandelen die hap, en misschien dat ik daarna nog een beetje Zuid-Amerikaanse cultuur kan gaan proeven, zeg maar. Grinnikend om dat grapje typ ik het adres in m’n GPS, en een geile vrouwenstem vertelt me dat ik linksaf moet slaan. Terwijl ik m’n auto in z’n twee zet kijk ik hoe ik moet rijden. Kanker, moet ik helemaal naar Oost. Daar heb ik echt even een potje geen zin in. Ik tik wat in op de GPS, maar zo te zien heb ik geen keus. Fuck. Nou ja, snel rijden dan maar.
Ik ben de wijk nog niet ingereden of ik zie een stel Marokkanen rotjes naar eenden gooien. Een van de vogels rent bijna voor m’n wielen, en ik moet keihard remmen. Teringlijers. Ik sta op het punt om m’n raam naar beneden te draaien en ze even goed te laten weten hoe we dingen doen in dit land, maar dan bedenk ik me dat ze zo in staat zijn om een rotje door m’n raam naar binnen te keilen. Dus ram ik alleen maar op de toeter. Ik zie ze naar me kijken, en dan beginnen ze allemaal te lachen.
Teringlijers. Fucking terroristen. Als het kon zou ik ze allemaal met hun kop in m’n motor steken. Oppakken en tegen de muur die hap. Bam, Bam, Bam, allemaal stukmaken. Een voor een. Het is toch niet alsof iemand ze mist. Het enige wat ze doen is shit kapotmaken. Niemand van dat soort voegt iets toe aan de wereld. En de politiek is te laf om er iets aan te doen. Taser in hun reet, allemaal. Dit land gaat naar de kloten, en niemand doet iets. De geile vrouwenstem vertelt me dat ik er ben, en ik schiet uit m’n gedachten.
Dus hier is het? Tering. Het verbaast me dat de flat nog niet is ingestort. Ik parkeer m’n auto snel ergens achteraf, en ren dan naar de voordeur met m’n koffertje. Als ook maar iemand hem krast, ik zweer je, er gaan doden vallen. En natuurlijk ligt er een stapel fucking bakstenen voor de deur van de flat waar ik overheen moet klimmen. Godverdomme, als dit m’n schoenen verpest mogen die klotejunkies het gaan betalen. Italiaans leer. Splinternieuw. Kutjunkies. Ze hebben niet eens een deurbel. Ik moet kloppen als een of andere pauper.
Ik ben half verkleumd voordat iemand de deur opendoet.
“Welkom, vreemdeling,” hoor ik een vent zeggen op serieuze toon
“Ja, dank je,” zeg ik. “Jullie hadden gebeld?”
“U bent van de drugs?”
Nou, het is niet alsof dat niet klopt. “Jep.”
“Treed binnen. Ik ben de Noctulian.”
Wat hebben junkies toch met stomme bijnamen? En waarom heeft deze gast een gewaad aan?
En welke mongool heeft alleen maar kaarsen in z’n woonkamer? Ik kan geen hol zien. Echt, het blijft me verbazen met wat voor random geëikel die junks aan blijven komen. Laatst had ik nog iemand die ratelslangen verzamelde in z’n badkuip. Sukkel. Poos niks van gehoord, ook. Hmm. Nou ja, doet er niet toe. Ik heb zaken te doen. Snel afhandelen en wegwezen. Er wacht een dame op me in de Bloedstraat.
Opeens beweegt er iets, en ik laat bijna m’n koffertje vallen. Wow, wat? Door de hele kamer beginnen de schaduwen te bewegen, en ik zie nu pas dat er allemaal kerels in de kamer staan in dezelfde stomme badjassen als de gast die me binnen liet. Hoe heet hij nou? Nox – Not Julian? Fuck it, ik doe het er voor. Ik hoef niet te weten hoe hij heet. Ik hoef alleen te weten wat ‘ie hebben wil, en weg ben ik. Not Julian wijst naar een bank die ergens tegen de muur staat.
“Ga zitten.”
Prima plan.
Met m’n koffertje op schoot stal ik m’n waar uit. De gasten in gewaden gaan allemaal om me heen. Eentje licht me bij met een kaars. Ja joh. Heb ik tenminste licht. Jezus, hebben ze nou ook nog make-up op? Ben ik bij een KISS-coverband beland of zo? Not Julian komt opeens aanzetten met een glas wijn.
“Drink.”
“Ik zou liever een pilsje willen.”
“Wat?” vraagt ie.
“Een pilsje. Pils. Bier.” Pas op dat laatste woord lijkt hij me te begrijpen.
“Ah. Dat hebben we niet. Drink.”
Oh, fuck het. Waarom ook niet. Ik pak het glas en neem een slok. “Thanks.” Gadverdamme, wat een bocht. Het smaakt naar goedkope supermarktwijn. Ik slik het door en knik waarderend. Ze mogen dan allemaal gestoord zijn hier, ze zijn wel m’n klanten. En klanten kopen je spullen. “Dus, heren,” begin ik, lekker hard om de aandacht te trekken. “Waar kan ik jullie aan helpen vanavond?”
En wat kijken ze nou naar elkaar? Zij hebben mij toch gebeld? Not Julian is de enige die wel weet wat hij wil, zo te zien, want hij buigt zich naar me toe.
“Wat kan u ons bieden?”
Nou, zal ik je dat eens uitleggen, knul? Jezus, wat een stelletje amateurs. Ik besluit ze dubbele te laten betalen en rommel door mijn koffertje.
“Om te beginnen heb ik wat pilletjes. Uppers, downers, MDMA, wat je wilt.”
Ik heb echt zelden iemand zo verbaasd zien kijken als Not Julian.
“Wat doe je daar zoal mee?”
“Feesten, gozer. Feesten. Beat op en helemaal stuk gaan.” Ik probeer het voor te doen, maar het is duidelijk dat hij geen idee heeft waar ik het over heb.
“Nou ja, als dat niet je ding is. Ik heb hier wat paddo’s, een beetje crystal, en een restje LSD. Coke heb ik in de auto, en als je crack of heroïne wil kan ik later langskomen.”
“Ehm…” Not Julian kijkt me aan. “Paddo’s… zijn dat paddenstoelen?”
“En of. Ga je van trippen als een wilde.”
“Doe daar maar wat van.”
“Hoeveel?”
“Ehm… een halve kilo?”
Soms heb je van die dagen dat alles ineens lekker gaat. Ik fluit een liedje terwijl ik voor ongeveer 2.500 euro aan paddo’s afweeg. Helemaal goed. Deze jongen gaat zich laten verwennen vanavond. Daar kan zelfs deze smerige wijn niks aan afdoen. Ik pak het glas en wil een slok nemen, maar zie dan dat iedereen me aan zit te staren. Heb ik wat van jullie aan, kerels? Ik tik het hele glas achterover, zonder het te proeven. En voordat ik het weet is het glas uit m’n hand gerukt.
“Laat mij maar,” zegt Not Julian, en verdwijnt.
Prima. Ik heb paddo’s af te wegen. 258 gram, 264… En dan staat Not Julian me opeens aan te koekeloeren, met nog een glas wijn.
“Willen jullie me dronken voeren?” vraag ik. Niet dat het ze zou lukken, maar wat de fuck? Zie ik eruit als een alcoholist ofzo? Not Julian glimlacht.
“We willen gewoon goed voor onze gasten zorgen.”
Nou ja. Prima toch. Blijkbaar heb ik de eerste aardige junks van Amsterdam gevonden. Kan mij het rotten. Ik neem een slok, en spuug het bijna uit. Jezus, dit is nog erger dan het eerste glas. Waar bewaren ze dit spul, in hun gymschoenen? Ik kan het maar met moeite doorslikken. En dan beginnen alle dudes om me heen opeens te mompelen. Wat is deze nou weer?
Dit bevalt me niks. Afwegen, afrekenen, en wegwezen. De weegschaal zegt dat ik nu 326 gram heb. 345. 1939. Wacht, wat? Het staat er toch echt. Ik knipper een paar keer, maar m’n ogen worden niet scherp. Wat de fuck – oh shit - alles begint te draaien, en ik val in het niks.
En opeens sla ik tegen de grond aan. Wat is – waar – waar zijn m’n kleren? Wie heeft me vastgebonden? En wat is dat geluid? Om me heen staan de dudes in hun zwarte gewaden in een soort kringetje, met hun armen uitgestrekt. Staan ze nou te zingen met z’n allen? En wat – AAAAAAAH! Not Julian staat naast me en houdt iets omhoog. Is dat een vinger? Is dat mijn vinger? Opstaan, wegwezen – kut, die touwen, en nu zitten ze alleen maar nog strakker. Er begint zich een plas bloed op de grond te vormen, maar ik voel m’n hand al nauwelijks meer. Jezus, wat hebben ze me gegeven hier?
“Opium,” zegt een stem naast me, die blijkbaar mijn gedachten kan lezen. Not Julian gaat tegenover me staan en draait de vinger rond in zijn hand. Vluchtroutes. Links? Rechts? Wie heeft er op de vloer staan kalken? Staat iedereen hier nou op de punten van een ster die op de vloer is getekend? Dan opeens een mep van achteren, en Not Julian begint te praten.
“Broeders, welkom, bij deze zwarte mis. Vandaag zullen we spreken met de Meester, via een van zijn afgezanten die we via ons bloedoffer gaan oproepen. In de naam van de heerser van de wereld, deze en de volgende, Shemhamforash nos denogimus et Rege Satanas.”
“Amen.”
“Goed. Laten we beginnen.”
Weg hier. Weg, nu. Opstaan, rennen. Gaat niet. Schreeuwen? Keel doet het niet. Fuck! Wat is hier aan de hand? Zijn ze nou nog harder gaan zingen? Spartelen. Vechten. Dus zo voelt adrenaline. Weg, weg weg – Not Julian legt een hand om m’n voorhoofd en drukt m’n hoofd tegen de grond aan. Is dat een mes?
“Stop!” kraak ik, met een stem die uit een ander heelal lijkt te komen.
“Nee.”
“Willen jullie geld? Ik heb geld! Ik heb een auto.”
“Wij willen geen geld.”
Er knallen tranen omhoog, en mijn keel staat in brand. Wat is dit? Waarom ik? Waar heb ik dit aan verdiend? Wat heb ik nou weer gedaan?
“Waarom ik?” hoor ik mezelf zeggen.
Not Julians stem is onmenselijk. “We zochten iemand die niet gemist zou worden.”
Een hele stad vol van het smerigste tuig, en ze kiezen mij uit? Waar heb ik dit aan verdiend? Ik heb niks gedaan!
Dan voel ik het mes m’n rug in gaan.
Ik schreeuw m’n longen aan stukken. Dikke klodders bloed en weefsel druipen langs mijn lippen. Not Julian loopt rond met een groot leren boek, en gaat dan tegenover me staan. Hij heft zijn handen, het gezang zwelt aan, en de lijnen op de grond lichten rood op. Door mijn tranen heen kan ik zien hoe de grond langzaam begint te gloeien, en dan helemaal verdwijnt. Uit een verre, vlammende diepte komt iets omhoog zetten, en het laatste wat ik voel is hoe mijn onderkaak eraf word gescheurd.